Leverbot

Leverbotproblemen komen vooral in de nattere gebieden van Nederland voor. Dit komt omdat de leverbot afhankelijk is van een kleine poelslak (Lymnea Truncata) als tussengastheer. Deze leeft in greppels en slootranden die langere periodes nat blijven. De problemen met leverbot variëren sterk van jaar tot jaar. Het jaar 2013 laat veel sterfte onder de schapen zien door een leverbotinfectie.  Als de poelslak het moeilijk heeft gehad door droogte dan zal de leverbot zich ook minder kunnen verspreiden. Het vee loopt de grootste kans geïnfecteerd te worden in de periode van november tot april op vochtige percelen maar in een extreem jaar kan zelfs vanaf eind Juli een besmetting op de weilanden aanwezig zijn.

Symptomen

Acute leverbot laat sterfte zien doordat de leverbotten zich massaal door de galgangen vreten. Dit geeft plotselinge sterfte in het najaar en vroege winter. De dieren zijn bleek, kunnen diarree hebben en soms een waterbuik. Bij sectie is de lever zichtbaar als een bloederige massa. Zelfs na behandeling sterven enkele lammeren doordat de lever te ernstig beschadigd is. Bovendien zijn ze gevoelig voor een superinfectie met het Bloed in de herfst

Chronische leverbotinfecties zorgen ervoor dat de dieren niet meer willen groeien, dor in de vacht worden, gele slijmvliezen krijgen en uiteindelijk ook kunnen sterven. In ernstige gevallen kan verwerpen optreden. Deze dieren komen vaak aan het eind van de dracht in de problemen doordat ze niet in conditie kunnen blijven met een slecht functionerende lever.

Leverbot is aan te tonen door mestonderzoek. Om een goed beeld te krijgen kan men het beste gepoolde mestmonsters nemen dwz. van 5 dieren gemengd uit één leeftijdsgroep ( bv.de lammeren). Mestonderzoek op leverbot heeft pas zin na februari .De dieren kunnen al eerder besmet zijn maar dit zijn infecties met jonge leverbotten die nog geen eieren produceren. Een efficiëntere methode is bloedonderzoek. Hiermee zijn infecties eerder aan te tonen en dus ook sneller en gerichter aan te pakken. Een infectie is door onderzoek op antistoffen in het bloed gemiddeld vanaf 6-8 weken na het begin van de infectie aantoonbaar.

Behandelingen

Voor behandeling van schapen zijn de volgende middelen geregistreerd: Endex, Fasinex, Flukiver Combo en Ivomec Plus. De meeste producten zijn op basis vantriclabendazol. Endex heeft naast triclabendazol, levamisol als werkzame stof. Levamisol is een algemeen ontwormingsmiddel dat niet werkzaam is tegen leverbot. Flukiver Combo bevat closantel en mebendazol. Tegen Flukiver Combo bestaat nog geen resistentie.

Behandel alle schapen op de weide besmet met leverbot met intervallen van 10 weken gedurende het leverbotseizoen. Het leverbotseizoen is gewoonlijk van september tot januari/februari.Veel problemen zijn in het verleden ontstaan door onderdosering. Het gebeurt zeer regelmatig dat het gewicht van de dieren niet goed ingeschat wordt. Weeg zo nu en dan de dieren om tot een goede inschatting te komen. Het wegen van het lichtste en zwaarste dier geeft een goede indicatie.

Onderdoseren geeft het ontstaan van resistentie een kans. In het gebied boven Amsterdam is dit al het geval en moet men uitwijken naar Flukiver combi (closantel) of Ivomec Plus. Dit middel werkt alleen tegen volwassen leverbot en moet dus vaker gehanteerd worden. Het is ook goed werkzaam tegen de rode lebmaagworm. Na 2 tot 3 weken kan men de behandeling met Endex of Fasinex controleren door mestonderzoek. Worden er bij dit onderzoek eieren gevonden dan is er mogelijk sprake van resistentie.

Om de leverbotspreiding in het voorjaar tegen te gaan kan er nog eenextra behandeling in meiplaatsvinden. De behandeling doodt niet alle jonge onvolwassen leverbotten waardoor er in het voorjaar en zomer problemen kunnen ontstaan door leverbotten die de winterbehandeling overleeft hebben.

Behandel om de resistentieontwikkeling af te remmen op bedrijven zonder leverbothistorie alleen na onderzoek. Het meest geschikt is bloedonderzoek op 4 weken na opname van besmet gras. Lammeren zijn het meest geschikt voor het aantonen van een nieuwe infectie. In het bloed van oudere dieren kunnen nog antistoffen van vorig jaar aanwezig zijn. Negatieve lammeren zijn echter geen garantie dat de ooien in hetzelfde seizoen geen leverbotinfectie oplopen. Besmetting kan van perceel tot perceel verschillen door verschillen in de watertoestand. Vooral greppels zijn een potentiële woonplaats voor de leverbotslak. Steile slootkanten zijn over het algemeen geen probleem. Plekken waar doorlopend water blijft staan zijn het gevaarlijkst. Op deze plekken groeit vaak biezen en russen.

Een negatieve bloeduitslag bij de ooien ondersteunt de risicoafweging om niet te behandelen. Een infectie aantonen met mestonderzoek kan pas op 12 weken na opname. Deze termijn is te lang om ziekte en uitval te voorkomen. Zowel bloed- als mestuitslagen blijven momentopnamen. Stem de herhaling van het onderzoek en behandeling af op de beweidingsrisico’s en de leverbotgeschiedenis.

 

De Werkgroep Leverbotprognose geeft ieder jaar rond november een prognose over de kans op besmetting met leverbot. In gebieden waar in de droge periode genoeg water is blijven staan, kan er een infectie op het land afgezet zijn. Vermijdt gevaarlijke percelen, raster deze uit en behandel de schapen op tijd. Overweeg de aanleg van drainagebuis in plaats van greppels.

Preventie

Leverbotten kunnen bij schapen wel 10 jaar worden. Ook als de omstandigheden voor infectie ongunstig zijn, kunnen bij aankoop op het oog gezonde dieren enkele leverbotten meenemen.