Menu
  • Bel ons:020 - 482 18 54

Do 28 november zijn we tussen 13.00 en 16.30 u dicht i.v.m. een training. Excuses voor het ongemak. 
Vanaf 1 november is het telefonisch spreekuur vervallen. Voor spoed kan er op de spoedlijn gebeld worden. Voor vragen wordt er een terugbelverzoek voor de dierenarts aangemaakt.

Schapen

Informatie over schapen

Schapen

Leverbot

Leverbotproblemen komen vooral in de nattere gebieden van Nederland voor. Dit komt omdat de leverbot afhankelijk is van een kleine poelslak (Lymnea Truncata) als tussengastheer. Deze leeft in greppels en slootranden die langere periodes nat blijven. De problemen met leverbot variëren sterk van jaar tot jaar. Het jaar 2013 laat veel sterfte onder de schapen zien door een leverbotinfectie. Als de poelslak het moeilijk heeft gehad door droogte dan zal de leverbot zich ook minder kunnen verspreiden. Het vee loopt de grootste kans geïnfecteerd te worden in de periode van november tot april op vochtige percelen, maar in een extreem jaar kan zelfs vanaf eind juli een besmetting op de weilanden aanwezig zijn.

Symptomen

Acute leverbot laat sterfte zien doordat de leverbotten zich massaal door de galgangen vreten. Dit geeft plotselinge sterfte in het najaar en vroege winter. De dieren zijn bleek, kunnen diarree hebben en soms een waterbuik. Bij sectie is de lever zichtbaar als een bloederige massa. Zelfs na behandeling sterven enkele lammeren doordat de lever te ernstig beschadigd is. Bovendien zijn ze gevoelig voor een superinfectie met het bloed in de herfst

Chronische leverbotinfecties zorgen ervoor dat de dieren niet meer willen groeien, dor in de vacht worden, gele slijmvliezen krijgen en uiteindelijk ook kunnen sterven. In ernstige gevallen kan verwerpen optreden. Deze dieren komen vaak aan het eind van de dracht in de problemen doordat ze niet in conditie kunnen blijven met een slecht functionerende lever.

Leverbot is aan te tonen door mestonderzoek. Om een goed beeld te krijgen kan men het beste gepoolde mestmonsters nemen. Dat wil zeggen van vijf dieren gemengd uit één leeftijdsgroep (bv.de lammeren). Mestonderzoek op leverbot heeft pas zin na februari. De dieren kunnen al eerder besmet zijn, maar dit zijn infecties met jonge leverbotten die nog geen eieren produceren. Een efficiëntere methode is bloedonderzoek. Hiermee zijn infecties eerder aan te tonen en dus ook sneller en gerichter aan te pakken. Een infectie is door onderzoek op antistoffen in het bloed gemiddeld vanaf zes tot acht weken na het begin van de infectie aantoonbaar.

Behandelingen

Voor behandeling van schapen zijn de volgende middelen geregistreerd: Endex, Fasinex, Flukiver Combo en Ivomec Plus. De meeste producten zijn op basis vantriclabendazol. Endex heeft naast triclabendazol, levamisol als werkzame stof. Levamisol is een algemeen ontwormingsmiddel dat niet werkzaam is tegen leverbot. Flukiver Combo bevat closantel en mebendazol. Tegen Flukiver Combo bestaat nog geen resistentie.

Behandel alle schapen op de weide besmet met leverbot met intervallen van 10 weken gedurende het leverbotseizoen. Het leverbotseizoen is gewoonlijk van september tot januari/februari. Veel problemen zijn in het verleden ontstaan door onderdosering. Het gebeurt zeer regelmatig dat het gewicht van de dieren niet goed ingeschat wordt. Weeg zo nu en dan de dieren om tot een goede inschatting te komen. Het wegen van het lichtste en zwaarste dier geeft een goede indicatie.

Onderdoseren geeft het ontstaan van resistentie een kans. In het gebied boven Amsterdam is dit al het geval en moet men uitwijken naar Flukiver combi (closantel) of Ivomec Plus. Dit middel werkt alleen tegen volwassen leverbot en moet dus vaker gehanteerd worden. Het is ook goed werkzaam tegen de rode lebmaagworm. Na twee tot drie weken kan men de behandeling met Endex of Fasinex controleren door mestonderzoek. Worden er bij dit onderzoek eieren gevonden, is er mogelijk sprake van resistentie.

Om de leverbotspreiding in het voorjaar tegen te gaan kan er nog een extra behandeling in mei plaatsvinden. De behandeling doodt niet alle jonge onvolwassen leverbotten, waardoor er in het voorjaar en zomer problemen kunnen ontstaan door leverbotten die de winterbehandeling overleefd hebben.

Behandel om de resistentieontwikkeling af te remmen op bedrijven zonder leverbothistorie alleen na onderzoek. Het meest geschikt is bloedonderzoek op vier weken na opname van besmet gras. Lammeren zijn het meest geschikt voor het aantonen van een nieuwe infectie. In het bloed van oudere dieren kunnen nog antistoffen van vorig jaar aanwezig zijn. Negatieve lammeren zijn echter geen garantie dat de ooien in hetzelfde seizoen geen leverbotinfectie oplopen. Besmetting kan van perceel tot perceel verschillen door verschillen in de watertoestand. Vooral greppels zijn een potentiële woonplaats voor de leverbotslak. Steile slootkanten zijn over het algemeen geen probleem. Plekken waar doorlopend water blijft staan zijn het gevaarlijkst. Op deze plekken groeit vaak biezen en russen.

Een negatieve bloeduitslag bij de ooien ondersteunt de risicoafweging om niet te behandelen. Een infectie aantonen met mestonderzoek kan pas op 12 weken na opname. Deze termijn is te lang om ziekte en uitval te voorkomen. Zowel bloed- als mestuitslagen blijven momentopnamen. Stem de herhaling van het onderzoek en behandeling af op de beweidingsrisico’s en de leverbotgeschiedenis.

De Werkgroep Leverbotprognose geeft ieder jaar rond november een prognose over de kans op besmetting met leverbot. In gebieden waar in de droge periode genoeg water is blijven staan, kan er een infectie op het land afgezet zijn. Vermijdt gevaarlijke percelen, raster deze uit en behandel de schapen op tijd. Overweeg de aanleg van drainagebuis in plaats van greppels.

Preventie

Leverbotten kunnen bij schapen wel 10 jaar worden. Ook als de omstandigheden voor infectie ongunstig zijn, kunnen bij aankoop op het oog gezonde dieren enkele leverbotten meenemen.

Ontwormen

De bestrijding van wormen bij schapen is voor iedere schapenhouder een terugkerend feit. Men probeert hiermee te voorkomen dat dieren ziek worden door een wormbesmetting. Heel belangrijk is dat mensen hierbij onderscheid maken tussen oudere schapen en lammeren. Het blind ontwormen van schapen heeft namelijk geen zin en kan schadelijk zijn voor de toekomst.

In de regel ondervinden ooien geen hinder van een maagdarmwormbesmetting, omdat ze als lam door een infectie weerstand hebben opgebouwd. De lammeren hebben deze weerstand nog niet omdat ze nog nooit in aanraking met wormen geweest zijn. Pas als de lammeren gaan grazen nemen ze wormlarven op en raken besmet. Na het aflammeren in het voorjaar kunnen ooien wel enorme aantallen eieren uitscheiden vanwege een tijdelijk lagere weerstand. De ooien zorgen er dan voor dat de besmetting van de weide toeneemt. De ooien zelf zullen daar geen last van hebben, de lammeren wel.

Lammeren besmetten zich al grazende met de larven van maagdarmwormen. Dit contact is nodig om weerstand op te kunnen bouwen. Wel is er een bepaalde mate van besmetting nodig. Een te lage opname van larven geeft onvoldoende opbouw van weerstand. Van een te hoge opname worden de lammeren ziek of raakt de groei verstoord. De meest gehoorde klacht is diarree, alhoewel dit bij de lebmaagworm niet voorkomt. Bij ernstige besmettingen kunnen groeidalingen van 50 gram per dag voorkomen.

Om er voor te zorgen dat de lammeren wel in aanraking komen met de wormen maar er niet ziek van worden is het belangrijk de lammeren een “controleerbare infectie” door te laten maken!

Welke wormen veroorzaken problemen?

Trichostrongylus + Teladorsagia
Deze wormsoorten zijn spoelwormen die in de dunne en dikke darm van het schaap zitten. Ze veroorzaken diarree en groeivertraging.

Nematodirus
Komt voornamelijk voor in het voor- en najaar. Voornamelijk bij lammeren die waterdunne diarree hebben. Bij een chronische infectie vermageren dieren. Er kan sterfte optreden.

Lebmaagworm (Haemonchus)
Komt voornamelijk voor in de zomer en herfst. In tegenstelling tot alle andere wormen veroorzaakt de lebmaagworm geen diarree! U ziet dieren die sloom en lusteloos zijn. Als u goed kijkt zijn de slijmvliezen bleek en kan er een zakje met vocht tussen de kaken hangen. Door bloedarmoede sterven er dieren. Dit kan heel erg snel gaan.

Lintworm
Leidt zelden tot klachten, komt voornamelijk bij lammeren voor. U kunt witte vierkante pakketjes op de mest zien liggen.

Ontwormen

Een aantal belangrijke hoofdpunten zijn:

  •  Mestonderzoek
  •  Doseren en noteren!
  •  Beweidingsmaatregelen
  •  De besmettingsgraad op het weiland bepaald het ontwormschema
  •  2 - 5% niet ontwormen!
  •  Veilig land

Mestonderzoek

Door middel van mestonderzoek kunt u kijken of uw dieren wormeitjes uitscheiden en het nodig is de dieren te behandelen. De larven en eitjes zijn niet met het blote oog te zien. Het monster moet met een handschoen uit het mestgat genomen worden. Het is verstandig van meerdere dieren mest aan te leveren. In ons laboratorium wordt dit monster microscopisch bekeken. Samen met een dierenarts wordt er vervolgens een advies opgesteld. Zo ontwormt u uw dieren op maat.

Het is verstandig uw dieren 14 - 21 dagen na ontworming te controleren of de ontworming geholpen heeft. Bij ernstige diarree kan het zijn dat er geen wormen of larven gevonden kunnen worden ondanks dat de dieren er ziek van zijn. Het is dan verstandig het onderzoek binnen drie weken te herhalen.

Doseren en noteren

Hou altijd de dosering aan zoals voorgeschreven. Er zijn al veel wormensoorten bestand tegen bepaalde ontwormingsmiddelen. We moeten voorkomen dat er straks geen middelen meer zijn om te ontwormen.

Noteer wanneer u uw dieren voor het laatst ontwormd heeft en met welk middel.

Besmettingsgraad van het weiland

Er is geen methode om te kijken wat de besmettingsgraad van het weiland is. Wel zijn er enkele momenten wanneer u kunt verwachten dat er een hogere besmetting op het land is.

  • Voorjaar
  • Najaar
  • Enkele dagen nadat het geregend heeft na een warme droge periode
  • Jonge dieren hebben op het weiland gelopen
  • Een net gemaaid weiland heeft een lagere besmetting
  • Omweiden

Het ontwormschema moet aangepast worden aan deze omstandigheden.

Beweidingsmaatregelen

Heeft uw meerdere weilanden tot uw beschikking dan kunt u de dieren omweiden.

Dit beweidingsschema zorgt er voor dat de grasgroei zich hersteld en de dieren weer volop grasaanbod hebben. Het zorgt er niet voor dat de besmettingsdruk op de weide afneemt (behalve als het drie maanden duurt voordat de dieren weer in hetzelfde perceel lopen).

Beweidingsschema

Tot 1 juli; binnen drie weken omweiden

Na 1 juli; iedere drie weken omweiden

Vanaf oktober weer binnen drie weken omweiden.

Waarom 95 - 98% en niet 100% van de dieren ontwormen?

Om ervoor te zorgen dat er altijd een lage besmetting op de weide is, is het verstandig 2 - 5% van de dieren niet te ontwormen. Door deze lage besmetting maken dieren een lichte infectie door en bouwen daarmee weerstand op. Deze weerstand is nodig om de rest van het leven weerstand aan wormen te kunnen bieden.

Ontworm guste, verwerpende, mislamde en niet-zogende ooien niet.

Kies voor de 2 - 5 % afgelamde ooien die u niet ontwormt dieren uit de groepen:

  • Gezonde oudere ooien in een goede conditie
  • Bij voorkeur ooien met een éénling

Zorg dat in elk samen weidende groep 2 - 5% niet ontwormde ooien lopen. Ontworm als het koppel kleiner is dan 20 ooien één ooi niet op stal, maar pas een week na komst op de wei.

Veilig of schoon land

Als schapen wormeieren uitgescheiden hebben op een weiland lukt het niet dit weiland helemaal vrij te krijgen van wormeitjes. De eitjes zijn zo bestand tegen extreme weersomstandigheden dat dit tientallen jaren kan duren. Wel kan het weiland schoon of veilig zijn.

Schoon land: nieuw ingezaaid grasland waar langer dan één jaar geen schapen op gelopen hebben.

Veilig land: drie maanden nadat er dieren op geweid hebben en wat eventueel tussentijds gemaaid/gehooid is.

Advies per diercategorie

Ooien

Ooien tijdens het aflamseizoen

Ooien die buiten aflammeren en buiten blijven:

  • Ontwormen binnen twee weken na aflammeren
  • Middel: Dectomax, Cydectin

Ooien met lammeren die tot spenen weidegang krijgen:

  • 95 – 98% van de dieren ontwormen, eenmalig binnen twee dagen voor naar buiten gaan
  • Middel: Dectomax, Cydectin
  • Zoveel mogelijk veilig land
  • Is het koppel kleiner dan 20 ooien; ontworm één ooi dan pas een week na het naar buiten gaan, de rest gewoon ontwormen!

Ooien en lammeren die tot spenen op stal blijven:

  • Geen ontworming nodig
  • Ontworming voor het aflammeren niet nodig!
  • Wilt u dit toch doen door i.v.m. logistieke problemen, gebruik dan Dectomax vanwege de langere werkingsduur van zes weken.

Voor ooien buiten aflamseizoen

Ontworm ooien buiten het aflamseizoen niet. Eén ontwormbehandeling na het aflammeren is voldoende. Daarna bouwt het schaap zelf weerstand op tegen maagdarmwormen waardoor ze meer maagdarmwormlarven opnemen dan zich wormen ontwikkelen. Dit draagt bij aan het laag houden van de besmettingsdruk op het perceel. Uiteraard is het wel van belang dat u de gezondheid van de dieren in de gaten houdt en zo nodig ingrijpt.

Lammeren

Lammeren die op stal zijn gehouden vanaf de geboorte

Zolang als deze lammeren binnen staan hoeven ze niet ontwormd te worden!Wel kan het nodig zijn de lammeren te behandelen tegen coccidiose, een andere darmparasiet dan wormen. Hiervan krijgen de lammeren waterdunne diarree waar ook bloed bij kan zitten. Neem contact op met uw dierenarts bij deze verschijnselen en breng mest naar de praktijk voor mestonderzoek.

Lammeren met weidegang

Controleer of de lammeren besmet zijn; doe mestonderzoek

Meestal is er besmetting vanaf zes weken leeftijd. De lammeren moeten hiervoor minimaal twee weken op de wei geweest zijn.

Belangrijk: vanaf half juni kan het weiland (onder bepaalde omstandigheden = regen na droge en warme periode) iedere vier weken weer gevaarlijk worden! Controleer de lammeren dus goed!

Koppel groter dan 20 lammeren

  • 95 – 98% van de dieren ontwormen, 2 - 5% wordt niet ontwormd!
  • Moment; liefst tijdens verweiden
  • Middel: Dectomax of Cydectin
  • Verweiding om de twee weken
  • 10 - 14 dagen na behandeling controleren of de ontworming heeft gewerkt doormiddel van mestonderzoek

Koppel kleiner dan 20 lammeren

  • Ontworm één lam pas een week na het naar buiten gaan. De rest wel ontwormen.

Kies voor de 2-5 % lammeren die u niet ontwormt:

  • Gezonde lammeren met de royaalste conditie
  • Bij voorkeur de oudste lammeren
  • Lammeren die worden geslacht binnen de wachttijd van het te gebruiken middel

Vaccinaties

Q-Koorts

Besmette dieren vertonen meestal geen verschijnselen. Abortus van de lammeren is het meest opvallende verschijnsel. Daarbij kunnen ook dode of slappe lammeren worden geboren. Vaccinatie voor Q-koorts is verplicht voor bedrijven met melkschapen en melkgeiten of lammetjesaaidagen. Ook kinderboerderijen, dierentuinen, zorgboerderijen en houders van schapen in rondtrekkende kuddes dienen hun dieren te vaccineren. Hobbyhouders met minder dan 50 dieren hoeven deze niet te vaccineren maar mogen dit wel.

Rotkreupel

Rotkreupel wordt veroorzaakt door twee bacteriën die voornamelijk in de tussenklauwspleet en loszittende hoorndelen van het klauwtje gaan zitten. Dieren worden kreupel en u ziet ze grazen op de voorknieën. Als u ruikt aan de klauwtjes neemt u een kenmerkende geur waar. In de aanpak van rotkreupel zijn vaccinatie, behandeling, klauwverzorging, een droge omgeving en omweiden erg belangrijk.

Zere bekjes (Ectyma)

Door een pokkenvirus-infectie kunnen beschadigingen en korsten aan de slijmvliezen ontstaan. Meestal zitten de korsten rondom bek en neus van lammeren. Het uier van de ooi kan ook door de lammeren besmet raken. Dit kan ervoor zorgen dat de ooi de lammeren minder goed laat drinken. Er is geen behandeling mogelijk wel kunnen de korsten sneller indrogen door gepaste aanpak. Let op! Dit virus is overdraagbaar naar de mens! Was dus goed uw handen! Vaccineren is alleen mogelijk als er al ziekteverschijnselen optreden, dus in een besmette omgeving!

"Het bloed" (Clostridium-enterotoxaemie)

Het bloed wordt veroorzaakt door een bacterie in de darm. Meestal vallen de beste lammeren letterlijk om. Acute sterfte treedt op door snel vrijkomen van gifstoffen in het bloed. Behandeling komt vaak te laat, dus voorkomen is beter dan genezen. U kunt uw ooien enten zodat de lammeren via de biest beschermd worden. Treedt de ziekte bij oudere lammeren op dan kunnen deze ook geënt worden.

Zomerlongontsteking

Ondanks dat het om “zomerlongontsteking” gaat komt de ziekte niet alleen in de zomer voor. Schapen van alle leeftijden kunnen ziek worden. Het komt bij lammeren nogal eens rondom spenen voor. De pasteurella bacterie zorgt voor een snelle afgifte van gifstoffen. We zien acute sterfte voordat er dieren met longontsteking zijn, daarna verschijnselen als een pompende ademhaling en neusuitvloeiing. Het voorkomen van deze ziekte kan doormiddel van een enting. Dit is een gecombineerde enting met het bloed.

Contactinformatie praktijk

Gezelschapsdieren

Terug
  • Ma
    8.00 - 18.30 uur
  • Di
    8.00 - 18.30 uur
  • Wo
    8.00 - 17.00 uur
  • Do
    8.00 - 18.30 uur
  • Vrij
    8.00 - 18.30 uur
  • Za
    9.00 - 12.00 uur
  • Zo
    Gesloten

Contactinformatie bij spoedgevallen

Bel a.u.b.:

020 - 308 07 50
Terug

Vind ons hier:

Dorpsstraat 64 1121 BZ Landsmeer Do 28-11 gesloten tussen 13.00 - 16.30 u ma, di, do, vrij spreekuur 13.30 - 18.30 u wo spreekuur 13.30 - 17.00 u Uitsluitend op afspraak!
ontvang een routebeschrijving via Google Maps
Terug

Bel a.u.b. dit nummer bij spoedgevallen:

020 - 308 07 50

Landbouwhuisdieren

Terug
  • Ma
    8.00 - 18.30 uur
  • Di
    8.00 - 18.30 uur
  • Wo
    8.00 - 17.00 uur
  • Do
    8.00 - 18.30 uur
  • Vrij
    8.00 - 18.30 uur
  • Za
    9.00 - 12.00 uur
  • Zo
    Gesloten

Contactinformatie bij spoedgevallen

Bel a.u.b.:

+31 6 10 97 02 63
Terug

Vind ons hier:

Dorpsstraat 64 1121 BZ Landsmeer
ontvang een routebeschrijving via Google Maps
Terug

Bel a.u.b. dit nummer bij spoedgevallen:

+31 6 10 97 02 63