• Bel ons:020 - 482 18 54

Paarden

Informatie over uw paard

Paarden

Keuringen

U kunt uw paard klinisch laten keuren aan huis door onze erkende paardenartsen. Door een paard klinisch te laten keuren kunnen de aankoop- of verkooprisico’s worden verminderd. Een klinische keuring wordt meestal aangevraagd bij de aankoop of verkoop van een paard/pony. Zo kan er een indicatie van de toestand van het dier worden vastgesteld op het moment dat deze van eigenaar gaat wisselen. Een klinische keuring kan bij een aan- of verkoop wat meer zekerheid bieden maar blijft altijd een momentopname. Als het paard tijdens de keuring in goede toestand verkeert, is dit natuurlijk geen garantie voor de toekomst. Het paard kan zich zomaar de volgende dag blesseren tijdens het longeren of in zijn nieuwe stal.

Een klinische keuring bestaat uit de volgende punten:

  • Bekijken van aftekeningen en chipnummer controleren
  • Bekijken stand en houding
  • Het luisteren naar de longen
  • Bekijken van het gebit
  • Controleren van reflexen
  • Bevoelen van de benen
  • Buigproef: Nadat het been een aantal seconden in dezelfde houding hooggehouden is moet het paard moeiteloos weg kunnen draven zonder hinken.
  • Longeren op harde en zachte bodem naar beide kanten

Screenen van jonge paarden

Met het screenen van jonge paarden kunnen er in sommige gevallen vervelende en kostbare situaties voorkomen worden voor de toekomst.

Ontwormen

Over het ontwormen van paarden bestaan veel misverstanden en fabels. Om wat duidelijkheid te geven volgt hieronder een uitleg wat wel/niet zinvol is om te doen. Wormen kunnen veel gezondheidsproblemen veroorzaken bij uw paard dus het is zaak hier goed mee om te gaan.

Mestonderzoek

De enige mogelijkheid om te ontwormen is op basis van mestonderzoek. Het voordeel van deze methode is dat u niet steeds hoeft te ontwormen en zo ontwikkeling van ongevoeligheid voor bepaalde ontwormingsmiddelen voorkomt. Dit mestonderzoek vindt plaats in onze kliniek. U kunt zelf wat mest inleveren van uw paard in een potje of zakje. Een kleine hoeveelheid is al voldoende om dit onderzoek uit te voeren. Belangrijk is wel dat het ‘verse’ mest is en dat het niet met de bodem in contact is geweest. Een mestbal van boven op een verse hoop is prima. Bij dit onderzoek worden het aantal eitjes per gram mest bepaald. Dit is een goede indicator of er wel of niet ontwormd dient te worden. Om kosten te besparen kan dit ook gegroepeerd gedaan worden. Tot een groep van vijf paarden kan een betrouwbaar resultaat verkregen worden. Het is verstandig om de mestmonsters van meerdere paarden wel apart aan te leveren. Zo kan bij een uitzonderlijk hoog aantal wormeitjes in een gegroepeerd mestmonster daarna nog individueel onderzoek plaatsvinden om het paard met de hoge ei-uitscheiding op te sporen. Belangrijk is dat u elke vier weken mestmonsters laat onderzoeken. Indien dit niet consequent gebeurt, neemt het risico op een worminfectie toe omdat het paard immers gedurende een langere periode niet meer ontwormd wordt. Paarden ontwormen op basis van mestonderzoek is een prima methode bij dieren ouder dan vijf jaar en bij vaste groepen paarden. Bij jonge paarden en paarden die in groepen worden gehouden waarbij de samenstelling van de groep regelmatig varieert is het verstandiger om volgens een strak schema te ontwormen.

Ontwormen van veulens

Wij adviseren veulens vanaf tien dagen te ontwormen met Ivermectine en dit daarna iedere zes weken te herhalen. Bij veulens komen ook nog spoelwormen’ voor. Deze kunnen onder andere verstoppingen in de dunne darm veroorzaken als de veulens of jaarlingen onvoldoende (of met de verkeerde middelen) ontwormd worden. In verband met de grotere resistentie van spoelwormen tegen Ivermectine is het verstanding veulens en jaarlingen ook op zes en tien maanden leeftijd te ontwormen met Pyrantel (Strongid-P).

Paarden en ezels in één wei

Bij paarden die in contact komen met ezels kunnen ook longwormen (Dictyocaulus arnfieldi) voorkomen. De ezels zelf kunnen drager zijn van deze longwormen zonder dat ze klinische klachten hebben. Paarden en pony’s krijgen wel klinische klachten en gaan erg hoesten. Regelmatige ontworming (iedere acht weken) met Ivermectine is dan ook belangrijk als paarden en ezels samen geweid worden.

Hieronder volgen nog enkele handvaten bij het ontwormen van paarden:

  • Veel mensen denken dat het aan te raden is om zoveel mogelijk te wisselen van wormmiddel, het omgekeerde is echter waar. Het regelmatig wisselen van product zou resistentie zelfs in de hand werken.
  • Onderschat het gewicht van uw paard niet! Geef liever voor 50 kg teveel dan te weinig.
  • Wees bij Shetlandpony’s en veulens zeer nauwkeurig met het doseren van Moxidectine (Equest en Equest Pramox).
  • Moxidectine mag niet gegeven worden aan veulens jonger dan vier maanden, Equest Pramox kan enkel bij een leeftijd hoger dan zes en een halve maand.
  • Heeft u bij een jong paard problemen met spoelwormen, of vermoedt u dat dit het geval kan zijn, dan is het aan te raden om het dier voor het ontwormen te laxeren.

De middelen

  • Ivermectine (Eqvalan, Furexel, Eraquell, Equimectin): standaard middel, goede werkzaamheid tegen nagenoeg alle wormen, werkt acht weken.
  • Moxidectine (Equest, Equest Pramox): goede werkzaamheid tegen nagenoeg alle wormen, maar werkt in tegenstelling tot Ivermectine ook tegen larvale stadia. Dit middel werkt langer, twaalf weken.
  • Praziquantel (Equimax, Equest Pramox): werkzaam tegen lintwormen, zit als toevoeging bij andere middelen.
  • Pyrantel (Strongid-P): werkt vooral goed tegen spoelwormen en is dus vooral belangrijk bij veulens en jaarlingen.

Tandheelkunde

Een goed functionerend gebit is erg belangrijk voor paarden, pony's en ezels. Het voorkomt of lost rijtechnische problemen op en dient voor een goede vertering van het voer. Gelukkig zien ook steeds meer paardeneigenaren de toegevoegde waarde van tandheelkunde bij het paard. Vroeger werden tandheelkundige handelingen bij paardachtigen verricht op het moment dat er problemen waren. De technische mogelijkheden in de tandheelkunde bij paardachtigen zijn de laatste jaren echter sterk toegenomen. Dierenartsenpraktijk Landsmeer probeert gebitsproblemen te voorkomen door de preventieve gebitsbehandelingen en -controles bij de jaarlijkse enting uit te voeren.

Rijtechnische problemen zoals hoofdschudden, het bit vastpakken en verzet kunnen veroorzaakt worden door gebitsafwijkingen zoals emaillepunten op de kiezen van de bovenkaak. Deze emaillepunten kunnen zeer scherp worden, waardoor grote beschadigingen van het wangslijmvlies kunnen ontstaan.
Het kauwvlak van het gebit dient nagenoeg vlak te zijn indien men de mond inkijkt en het moet een lichte helling (ongeveer 15 graden) naar de buitenzijde (wang) hebben. Door deze bouw zijn de zijwaartse (en deels voor- en achterwaartse) kauwbewegingen van de onderkaak ten opzichte van de bovenkaak mogelijk. Op het moment dat het paard problemen heeft aan een kies en/of kaak zal het de betreffende kaakhelft minder gaan gebruiken, waardoor de helling van de kiezen zal toenemen (meer dan 15 graden). Er kan op deze manier een schaargebit worden ontwikkeld. Indien aan de voor- en achterzijde van het kauwvlak haken zitten, zullen de voor- en achterwaartse bewegingen beperkt worden. Hierdoor ontstaat er spanning in het kaakgewricht.

Wisselen

Het wisselen van de snijtanden en de kiezen varieert per paard, waarbij afwijkingen van een half jaar kunnen voorkomen. Door de variatie in het wisselen van de tanden is de leeftijdsbepaling aan de hand van het gebit een schatting. Een paard heeft zowel in de bovenkaak als in de onderkaak zes snijtanden. Alles wat er meer of minder zit, wordt als afwijkend beschouwd. Het wisselen van de snijtanden begint bij de twee binnenste snijtanden op een leeftijd van ongeveer drie jaar, de middelste snijtanden beginnen op ongeveer vier jaar te wisselen en de twee buitenste snijtanden op een leeftijd van ongeveer vijf jaar. Bij een volwassen paard zijn zowel in de onderkaak als in de bovenkaak twaalf kiezen aangelegd; zes kiezen per kaakhelft. In het melkgebit zijn er zes kiezen in de bovenkaak (drie rechts- en drie linksboven) en zes in de bovenkaak (drie rechts- en drie linksonder). Tijdens het wisselen van de melkkiezen groeien de ware kiezen vanuit de kaak naar de mondholte toe en duwen de melkkiezen en de doppen eruit. Doppen zijn restanten van de melkkiezen. De doppen op de voorste kiezen verdwijnen op een leeftijd van ongeveer tweeënhalf jaar, op de tweede kiezen op ongeveer drie jaar en op de derde kiezen op ongeveer vierjarige leeftijd. Op een leeftijd van respectievelijk ongeveer een, twee en drieënhalf jaar worden de drie achterste kiezen zichtbaar.

Wolfstandjes

Wolfstanden zijn kleine, rudimentaire kiezen (zonder functie) die voor de eerste 'echte' kiezen liggen. Ze wisselen in grootte en ligging, meestal liggen ze strak tegen de voorzijde van de eerste kies aan. Sommige wolfstandjes hebben wortels en andere wolfstandjes liggen los in het tandslijmvlies. De wolfstandjes bevinden zich over het algemeen in de bovenkaak, soms in de onderkaak. Wolfstandjes komen tevoorschijn op een leeftijd van ongeveer zes tot twaalf maanden bij 30% van de paardenpopulatie. Kauwproblemen zijn er nooit door wolfstandjes. Rijtechnische problemen kunnen er echter wel door veroorzaakt worden. Bijvoorbeeld doordat het bit tegen de wolfstanden stoot. Op het moment dat er rijtechnische problemen zijn of men problemen met de wolfstandjes in de toekomst wil uitsluiten, worden de tandjes bij de eigenaar thuis verwijderd.

Kieswortelontsteking

De kies(wortels) kunnen ontstoken raken door:

  • Een gebroken kies (geheel of gedeelte)
  • Hematogeen (via het bloed)
  • Trauma, waardoor kieswortel/kaak gebroken is (infectie van buitenaf)
  • Cariës
  • Peridontitis (tandvleesontsteking)
  • Infundibulum necrose (tandkanaal (bovenkaakskiezen) rotting)

Een paard heeft zes kiezen per kaakhelft. In de bovenkaak komen de wortels van vier kiezen in de sinus (voorhoofdsholte) uit. Als de wortels van een of meer van deze vier kiezen ontstoken zijn, kan het paard een sinusitis (voorhoofdsholteontsteking) krijgen.
De symptomen van een sinusitis kunnen zijn stinkende, (eenzijdige) neusuitvloeiing en een gezwollen warme bovenkaak. De diagnose van een ontstoken kies kan gesteld worden aan de hand van de anamnese, een goed klinisch onderzoek, een röntgenfoto en CT-scan.

De therapie bestaat uit het weghalen van de aangetaste kies of kiezen. Afhankelijk van welke kies is aangetast, hoe de kies is aangetast en het karakter van het paard, kan de kies door middel van staande extractie, stempelen of een buccotomie verwijderd worden. De nabehandeling kan lang duren.

Vaccineren

Wat is vaccineren?

In 1796 ontdekte een Engelse arts, Edward Jenner, dat als je een mens inspuit met koepokken, deze geen mensenpokken krijgt. Dit was het begin van wat wij nu een heel normale gang van zaken vinden: het vaccineren of inenten. Het principe van vaccineren is dat je de afweer wakker maakt voor een virus of bacterie die in het lichaam zou kunnen komen. Dit doe je met een stof die op dit virus of deze bacterie lijkt, maar die geen ziekte veroorzaakt. Op het moment dat de indringer het lichaam binnenkomt, kan de afweer dan direct reageren, zodat het dier niet ziek wordt. Op deze manier zal een natuurlijke infectie worden voorkómen of zullen de ziekteverschijnselen in ieder geval een stuk minder zijn. Om de afweer alert te houden, moet een dier of mens soms elk jaar weer gevaccineerd (ingeënt) worden.

Het veulen wordt via de moedermelk beschermd tegen bepaalde infecties. Men noemt dit een passieve vaccinatie. Het beste resultaat wat betreft de bescherming van het jonge veulen is om een drachtige merrie in het laatste deel van de dracht te vaccineren tegen influenza en tetanus. Wanneer een drachtige merrie namelijk geënt wordt, gaat ze antistoffen produceren. Tegen de tijd dat het veulen geboren wordt, worden er dan voldoende antistoffen tegen deze ziekten in de biest aan het veulen doorgegeven, die de eerste levensmaanden een goede bescherming geven.

Welke vaccinaties zijn er bij het paard mogelijk?

Influenza

Het influenzavirus veroorzaakt een infectie van de voorste luchtwegen, met eventueel hoge koorts, niet eten, algemeen ziek zijn en hoesten. De koorts kan verschijnen in een tweetal koortspieken. Als gevolg van de slijmvliesbeschadigingen door het virus, kunnen bacteriën, die normaal op de slijmvliezen voorkomen, zorgen voor een secundaire infectie. Veulens die van de merrie onvoldoende antistoffen via de biest hebben binnen gekregen kunnen aan een influenzainfectie sterven. Volwassen paarden sterven zelden aan een influenzainfectie. Er bestaan van dit virus meerdere stammen.

In verband met een goede weerstand bij het geënte dier is het zinvol om het paard minimaal twee keer per jaar te vaccineren tegen influenza. Zeker voor paarden die veel reizen, meedoen aan (internationale wedstrijden) en vaak met andere paarden in aanraking komen. Voor wedstrijden geldt tot nu toe een jaarlijkse hervaccinatie (binnen 365 dagen herhaald) na een correcte basisenting. De basisenting bestaat uit een dubbele enting met een tussen tijd van vier tot zes weken. Voor het veulen geldt dat de eerste enting op een leeftijd van vier tot zes maanden toegediend moet worden. Dit is mede afhankelijk van het tijdstip waarop de merrie gevaccineerd is.

Tetanus

Tetanus wordt veroorzaakt door de bacterie Clostridium tetanie. Een infectie kan ontstaan na een diepe steekwond (nageltred!) of na een wondinfectie met veel weefselversterf. Paarden zijn erg gevoelig voor deze bacterie en kunnen er aan sterven. De bacterie is een bodembewoner die altijd en overal om ons heen voorkomt. In een diepe wond gaat de bacterie zich vermeerderen, en een gifstof (toxine) produceren waardoor in de spieren over het gehele lichaam kramp ontstaat. De tijd tussen het moment van besmetting en eerste verschijnselen van de ziekte bedraagt meestal zeven tot tien dagen.
De ziekte begint vaak met een stijfheid van de kauwspieren (een andere naam voor tetanus is klem of kaakklem). Deze stijfheid breidt zich uit over de spieren van hoofd, hals en benen. Hierna ontstaat het stadium van de kramptoestand, waarbij dieren eventueel kunnen gaan omvallen. Als de kramp zich uitstrekt over de tussenribspieren, zal het paard als gevolg van verstikking sterven. Een preventieve enting is hier dus van levensbelang. Vaak wordt de enting tegen influenza gecombineerd met tetanusvaccinatie, waardoor bij een frequent geënt paard een goede bescherming gewaarborgd is.

Rhinopneumonie

Rhinopneumonie bij het paard wordt veroorzaakt door een herpesvirus en kent een drietal verschijningsvormen (verkoudheidsvorm, abortusvorm en neurologische vorm). In hoeverre het mogelijk is paarden preventief te beschermen tegen rhinopneumonie hangt af van de vorm. Een vaccinatie tegen de verkoudheidsvorm is redelijk betrouwbaar, maar moet tenminste tweemaal per jaar worden gegeven. Een vaccinatie tegen de abortusvorm is veel minder betrouwbaar en dient tenminste vier maal per jaar te worden gegeven. Ondanks vaccineren kunnen er op een bedrijf toch merries aborteren. De vaccinatie biedt dus geen volledige bescherming tegen abortus. Tegen de neurologische vorm van rhinopneumonie is vaccineren waarschijnlijk niet effectief. Wel kan vaccineren van een gehele stal het rondgaan van het virus verminderen. In het geval dat er al een besmetting aanwezig is, is vaccineren sterk af te raden.

Huidschimmel

Er is een vaccinatie bij het paard mogelijk tegen huidschimmel. Het vaccin verkort het genezingsproces met meerdere weken in vergelijking met vroegere methoden en zorgt daardoor voor minder ongemak. Daarnaast geeft de vaccinatie een bescherming tegen huidschimmel in de toekomst voor minstens negen maanden.
De vaccinatie kan preventief gegeven worden aan een gezond paard indien bijvoorbeeld bij andere paarden in de omgeving (maneges) schimmel is vastgesteld. De vaccinatie kan echter ook aan een paard dat al last van schimmel heeft gegeven worden. De aandoening zal dan sneller verdwijnen en na een tweede vaccinatie is het paard verder tegen de schimmel beschermd.

Gezien het hardnekkige karakter van schimmelinfecties en de toch wel lastige en langdurige behandeling ervan, is vaccineren een heel goed alternatief. Bovendien is schimmel een zoönose, dat wil zeggen dat het heel besmettelijk is voor de mens. Het is mogelijk om uw paard jaarlijks preventief met deze vaccinatie in te enten en zo huidschimmel te voorkomen.

Dit vaccin wordt overigens af en toe wel eens gebruikt om zomereczeem te voorkomen. Kennelijk heeft het vaccin een invloed op het immuunsysteem, maar het is nog niet duidelijk hoe het precies werkt. Het vaccin is niet geregistreerd voor dit doel en de resultaten zijn trouwens niet altijd goed.

Droes

Droes wordt vooral gezien bij jonge paarden, maar hele oude paarden kunnen ook weer droes krijgen. Droes begint met hoge koorts ongeveer drie tot veertien dagen na de blootstelling aan de bacterie. Dit wordt gevolgd door neusuitvloeiing (eerst waterig en later pus). Binnen een week treedt zwelling op van de lymfeknopen tussen de kaaktakken en/of in de keelstreek. Door de pijnlijk gezwollen lymfeknopen ontstaan een gestrekte hoofd-halshouding, moeite met slikken, verminderde eetlust en depressie. Soms zwellen de lymfeknopen in de keelstreek zo erg dat het paard er benauwd van wordt. De Engelse naam van droes "strangles" dank hier haar naam aan.

De bacterie wordt overgedragen van paard naar paard, maar ook door het delen van stallen, dekens, waterbakken, borstel of via kleding en schoeisel van de verzorgers. Paarden die besmet zijn kunnen tot zes weken nadat de verschijnselen zijn verdwenen nog andere paarden besmetten. In sommige gevallen blijft de bacterie in de luchtzak of bijholtes achter en kan het paard de bacterie maanden tot jaren bij zich houden en andere paarden besmetten zonder er zelf last van te hebben! Droes is al voor het eerst beschreven in de 13e eeuw. Pas in de 19e eeuw is ontdekt dat het veroorzaakt door de bacterie Streptococcus equi spp equi.

In de meeste gevallen zullen de paarden een aantal dagen tot weken (erg) ziek zijn van droes, maar ze knappen wel weer helemaal op.

Soms treden er complicaties op en die kunnen zo ernstig zijn dat het paard eraan overlijdt. Een van de meest bekende complicaties van droes is de verslagen droes. De bacterie blijft dan niet alleen maar in de lymfeknopen aan het hoofd, maar kan zich in de lymfeknopen door het hele lichaam verspreiden. Betreft het een lymfeknoop in de buik en barst deze open, dan kan er een buikvliesontsteking ontstaan. Bij verslagen droes is een langdurige therapie genoodzaakt.
Wat ook kan gebeuren is een ontsteking aan alle vaten, dit uit zich in vier dikke benen, een dik hoofd en een heel sloom paard. Dit beeld wordt ook wel morbus maculosus genoemd. Hierbij moet snel worden ingegrepen anders is de kans groot dat het paard overlijdt.

Er bestaat ook een vaccin tegen droes. Dit is geen normale vaccinatie in de spieren, maar deze vaccinatie wordt aan de binnenkant van de bovenlip gegeven. Ook deze vaccinatie kan gegeven worden vanaf een leeftijd rond de zes maanden en moet ongeveer vier weken later worden herhaald. Daarna geldt afhankelijk van het infectiegevaar elke drie tot zes maanden vaccineren. Dit vaccin zou ook nog werkzaam zijn als er een uitbraak is.

Westnijlvirus

Westnijl wordt veroorzaakt door een virus, het zogenaamde Westnijlvirus. Dit virus wordt overgedragen door muggen. Vogels zijn een soort opslag voor het virus. De meeste soorten vogels worden niet ziek als ze besmet worden met het virus, maar het virus vermeerdert zich wel heel snel in de vogels. Als een mug een besmette vogel prikt is de kans groot dat deze ook wat virusdeeltjes opzuigt. Als deze mug dan vervolgens een paard of mens prikt, kunnen deze besmet raken. Paarden en mensen spelen geen rol in de verspreiding van de ziekte, het aantal virusdeeltjes in het lichaam is zo laag dat de kans dat een mug deze opzuigt nihil is. De verschijnselen die kunnen worden waargenomen verschijnen acht tot vijftien dagen na de muggensteek en variëren in ernst. Sommige paarden hebben alleen wat koorts of een klein beetje moeite met de coördinatie (ze zijn atactisch), anderen zijn veel erger atactisch en er zijn zelfs gevallen van sterfte bekend. Wat erg belangrijk is in het voorkomen en bestrijden van Westnijl is bestrijding van muggen. Plekken met stilstaand water waarin de muggenlarven zich kunnen ontwikkelen moeten zoveel mogelijk worden drooggelegd. Paarden binnen zetten wanneer de muggen het meest actief zijn, dit is vrijwel altijd tijdens de schemerperiode. Als u veel naar het buitenland gaat kan het verstandig zijn uw paard tegen Westnijl te vaccineren. Er zijn steeds meer geruchten dat het niet lang meer duurt voordat het Westnijlvirus ook in Nederland de kop opsteekt. Wij adviseren daarom om (emotioneel) waardevolle dieren wel te laten vaccineren. Hiervoor geldt ook eerst één vaccinatie (vanaf zes maanden leeftijd) die herhaald moet worden na ongeveer vier tot zes weken. Daarna volstaat een jaarlijkse herhaling.

Vruchtbaarheid

Castraties

In Nederland worden jaarlijks vele tienduizenden veulens geboren. Ongeveer de helft daarvan is van het mannelijk geslacht. Slechts een klein gedeelte van deze dieren krijgt de kans zich te bewijzen in de fokkerij als dekhengst. Het overgrote deel zal gebruikt worden in de sport of voor recreatieve doeleinden. Hierbij is het voortdurend uiten van hengstengedrag vaak lastig. Dit gedrag wordt veroorzaakt door het mannelijk geslachtshormoon testosteron dat gemaakt wordt in de testikels (de zaadballen). Het doel van de castratie is daarom niet zozeer het uitschakelen van de zaadproduktie, maar vooral het uitschakelen van de produktie van testosteron. Dit betekent dus dat beide testikels volledig verwijderd worden.

Wanneer castreren?

Het meest geschikte moment om een hengst te castreren wordt door meerdere factoren bepaald.
Soms is de verwachtingswaarde van de hengst op grond van zijn bloedlijn, exterieur en eigen prestatie zodanig, dat de eigenaar eerst wil afwachten of het dier goedgekeurd wordt als dekhengst.
Door het dier langer hengst te laten, kunnen sommige exterieurkenmerken zich beter ontwikkelen (zwaardere bespiering, meer hals). Wanneer dit een overweging dan wel een wens van de eigenaar is, zal het dier op latere leeftijd (b.v. drie tot vier jaar oud) gecastreerd moeten worden.
Afhankelijk van de gekozen castratiemethode kan ook het seizoen van invloed zijn op het moment van castreren. Dit is vooral van belang wanneer er een castratiemethode gebruikt wordt waarbij de operatiewonden niet gesloten worden. Het voorjaar is dan de beste tijd: de weiden staan vol met gras en het aantal insecten is ten opzichte van de zomer nog gering. Dit betekent dat er voor het paard direct na de castratie een schone omgeving is, waar het dier kan herstellen van de ingreep.
Soms wordt een hengst op erg jonge leeftijd, b.v. als veulen van enkele maanden oud, gecastreerd. De operatie is dan weinig belastend en het veulen herstelt snel. Het dier groeit nadien echter minder goed uit (minder bespierd, minder hals) en zal wat "slungelig" blijven.
In de praktijk komt het erop neer dat de meeste hengsten gecastreerd worden als ze één tot twee jaar oud zijn.

Voorbereiding voor de operatie

Voordat we met de castratie kunnen beginnen, moet eerst een zorgvuldig algemeen onderzoek van de hengst gedaan worden. Als bij dit onderzoek relevante afwijkingen worden geconstateerd, zoals temperatuursverhoging, diarree of neusuitvloeiing, moet ernstig overwogen worden om de operatie uit te stellen tot het dier weer volledig gezond is. Het betreft hier immers een keuze-operatie. Dit wil zeggen dat er zelden dwingende redenen zijn om het dier met spoed te opereren. Alleen een beklemde liesbreuk, waarbij een darm in het lieskanaal is gezakt en daarin samen met de zaadstreng bekneld zit, als ook een draaiing of een ontsteking van een testikel, kunnen een reden vormen om zo snel mogelijk te opereren. Bij deze aandoeningen is de betreffende scrotumhelft duidelijk gezwollen, en toont de hengst pijn in de vorm van koliek.

Naast het algemeen onderzoek moet natuurlijk ook speciale aandacht besteed worden aan het operatiegebied zelf. Met name worden het scrotum, de twee testikels en de beide liesopeningen afgetast. We letten er speciaal op dat het lieskanaal niet te wijd is en dat er geen ingewanden in uitpuilen. Ook wordt gecontroleerd of beide testikels wel volledig zijn afgedaald in het scrotum en we niet toevallig met een klophengst te maken hebben.
Als het dier een klophengst blijkt te zijn, moet de castratie door een ervaren chirurg in een kliniek worden uitgevoerd. Laat nooit bij een eenzijdige klophengst de afgedaalde testikel alvast maar verwijderen, om vervolgens af te wachten wanneer de andere alsnog afdaalt. Meestal gebeurt dat laatste toch niet.

De castratie, een keuze uit meerdere methoden

In de loop der jaren zijn er verschillende methoden ontwikkeld om hengsten te castreren. Iedere methode heeft haar eigen voor- en nadelen. Er is niet één bepaalde methode als de beste te bestempelen. De keuze voor een bepaalde methode hangt af van diverse factoren. Belangrijk is of de hengst bij de eigenaar/verzorger thuis gecastreerd wordt dan wel in een kliniek, en als het thuis gebeurt of het dan aan het staande of aan het liggende dier gedaan zal worden. Afhankelijk van de omstandigheden zal er voor een bepaalde methode gekozen worden. De voor- en nadelen en de mogelijke risico's daarvan moeten tevoren met de eigenaar bepraat worden. Ondanks het feit dat de castratie vaak goed verloopt, moet men de risico's ervan toch niet onderschatten.

De castratie onder praktijkomstandigheden. Wanneer de eigenaar kiest voor een castratie onder praktijkomstandigheden, bestaan er daarvoor twee methoden.

De half-bedekte methode

Er wordt een snede gemaakt in de huid van het scrotum en het onderhuidse bindweefsel en in de direct daaronder gelegen uitstulping van het buikvlies, de tunica vaginalis. Deze snede is zo groot dat de gehele testikel gemakkelijk naar buiten gehaald kan worden. Dan wordt de huid met het onderhuidse bindweefsel losgemaakt van de tunica vaginalis en naar boven weggeduwd. De zaadstreng met daaromheen de tunica vaginalis wordt met een speciale kneustang eerst gekneusd en daarna afgebonden met een stevige ligatuur. De testikel wordt verwijderd door de zaadstreng met de tunica vaginalis door te knippen onder de ligatuur. De andere testikel wordt op dezelfde manier verwijderd. De wonden in het scrotum worden niet gehecht maar open gelaten, zodat wondvocht dat na de operatie wordt geproduceerd goed kan afvloeien. Ze groeien na verloop van tijd vanzelf dicht.
Omdat de zaadstreng samen met de daaromheen gelegen tunica vaginalis is afgebonden, bestaat er geen open verbinding meer tussen de buikholte en het scrotum. Ter hoogte van het lieskanaal zit de uitbreiding van de buikholte nu dicht.

Om de half-bedekte methode goed uit te kunnen voeren wordt deze het liefst uitgevoerd aan het liggende dier onder narcose. Het zicht op het operatieveld is dan goed en er kan vlot doorgewerkt worden. Omdat er ook veel schoner gewerkt kan worden is de kans op besmetting met bacteriën klein. Als zich tijdens de operatie onverwachts toch een complicatie voordoet, kan deze efficiënt en professioneel worden opgelost.
Een nadeel van het liggend castreren vormt de algehele narcose. Het paard wordt immers in slaap gebracht en zal daarna ook weer moeten ontwaken en opstaan. Dit vraagt tijd en professionele zorg.

De onbedekte methode

Ook nu wordt via een snede in het scrotum de testikel volledig naar buiten gehaald. Vervolgens wordt alleen de zaadstreng gekneusd en afgebonden. De zaadstreng is daarbij dan dus niet omgeven door de tunica vaginalis; vandaar de naam onbedekte castratie. De zaadstreng wordt daarna doorgeknipt of doorgesneden, zodat de testikel verwijderd kan worden. Ook nu worden de wonden in het scrotum open gelaten.
De onbedekte methode is minder bewerkelijk en gaat daardoor sneller dan de half-bedekte methode. Nog makkelijker gaat het wanneer de zaadstreng niet afgebonden maar alleen gedurende enkele minuten wordt gekneusd, hetgeen in sommige gevallen ook gedaan wordt. Men loopt dan echter de kans dat er een (na)bloeding uit de zaadstrengstomp optreedt. Om een dergelijke (na)bloeding te voorkomen is het veel veiliger om de zaadstreng na het kneuzen ook goed af te binden.

De onbedekte methode is dus eenvoudiger en wordt daarom vaak gebruikt wanneer de hengst staande en onder plaatselijke verdoving gecastreerd wordt. Castreurs doen het vaak op deze manier.
Wanneer een hengst staande gecastreerd wordt, zijn er geen risico's van het neerleggen en weer moeten opstaan van het dier, en evenmin bestaat er een narcoserisico. Het zal ook duidelijk zijn dat het goedkoper is om een hengst staande met een plaatselijke verdoving te laten castreren dan liggend onder narcose.
Echter let op! Na een onbedekte castratie ontstaat er tijdelijk (een aantal dagen) een open verbinding tussen de buikholte en de buitenwereld, omdat het lieskanaal dan nog open is. Het afbinden van de zaadstreng met een ligatuur verandert aan deze situatie niets. Er kunnen door het open lieskanaal bacteriën in de buikholte komen, waardoor een gevaarlijke buikvliesontsteking kan ontstaan. Maar het is ook mogelijk dat darmen via het lieskanaal en de nog open wond in het scrotum naar buiten komen. Wanneer in dat geval niet heel snel deskundig wordt ingegrepen, is dit fataal voor het dier. Het uittreden van darmen is de meest gevreesde complicatie na een onbedekte castratie. De kans dat het gebeurt bedraagt ongeveer 0.8%. Als een eigenaar besluit zijn hengst onbedekt te laten castreren, b.v. omdat dat goedkoper is, moet hij zich wel realiseren dat hij daarbij bewust een risico neemt.

Conclusie

Wanneer de voor- en nadelen van de half-bedekte en onbedekte methode alsmede ook van het staand en liggend castreren tegen elkaar worden afgewogen, moet geconcludeerd worden dat voor de castratie van een hengst onder praktijk-omstandigheden de half-bedekte methode, waarbij de zaadstreng en de tunica vaginalis tesamen met een ligatuur worden afgebonden en die wordt uitgevoerd aan het liggende dier onder narcose, de veiligste methode is.

Zorg voor de pas geopereerde ruin

Een pas gecastreerde ruin heeft, afhankelijk van de manier waarop hij geopereerd is, wel wat speciale zorg nodig. Zo zal een paard dat onder volledige narcose geweest is enige tijd nodig hebben om te herstellen en weer vast op de benen te staan. Een rustige plek (zonder andere paarden) in een schone box of weide waar het dier zich niet kan bezeren is gewenst in zo’n geval. Voor alle dieren die gecastreerd zijn op zo’n manier dat er een wond is ontstaan geldt dat er altijd controle van de wond moet plaatsvinden. Een manier om wondzwelling voor te zijn is het dier de mogelijkheid te bieden om licht in beweging te blijven, zoals in de weide (een paddock met zand is minder geschikt in verband met vuil dat in de verse wond kan komen). Een paard dat op de “open “ manier gecastreerd is, zal een iets groter risico lopen op nadien uittreden van darmen via de wond (zie: complicaties na de castratie) en moet daar dus gedurende enkele dagen op gecontroleerd blijven worden.
Als geen van de hierna te noemen complicaties optreden zal het dier snel van de operatie herstellen en na enkele dagen alweer lichte arbeid kunnen verrichten.

Complicaties na castratie

Ondanks het grote aantal castraties dat jaarlijks in de praktijk wordt uitgevoerd, zien we gelukkig niet vaak ernstige complicaties optreden. Sommige complicaties hangen samen met het feit dat de wonden in het scrotum open gelaten worden.
De meest voorkomende complicaties zijn:

Zwelling van het scrotum en de koker

Dit is de meest voorkomende maar ook de minst ernstige complicatie. In feite treedt na iedere castratie enige zwelling op, die na enkele dagen vanzelf weer verdwijnt. Teveel zwelling kan worden voorkomen door snel te opereren en de weefsels daarbij zo min mogelijk te beschadigen. Ook is het belangrijk het dier na de castratie voldoende beweging te geven. Het routinematig afspuiten van het scrotum is ongewenst, tenzij er heel veel zwelling optreedt. In dat geval moet ook de dierenarts gewaarschuwd worden om de oorzaak van de sterke zwelling vast te stellen. Meestal zijn één of beide wonden in het scrotum te vroeg dichtgegaan. Het weer openen daarvan is dan vaak voldoende om de zwelling weg te laten trekken.

Ontsteking in het scrotum

Bij deze complicatie speelt behalve snelheid ook de steriliteit tijdens de castratie een belangrijke rol. Als er door besmetting met bacteriën een ontsteking in het scrotum ontstaat, blijft dat veel te dik en komt er pus uit één of beide wonden. Het paard kan er ook ziek van zijn. Deskundige behandeling is dan nodig. De besmetting met bacteriën kan dus tijdens de castratie plaatsvinden, maar het kan ook daarna gebeuren zolang de wonden nog niet geheel gesloten zijn.

Ontsteking van de zaadstrengstomp

Dit is een erg vervelende complicatie. Er heeft zich nu een ontstekingsproces ontwikkeld aan de stomp van de zaadstreng. Ook nu blijft er pus uit één of beide castratiewonden komen. Vaak zal besloten worden om het dier met antibiotica te behandelen. In een aantal gevallen heeft dat succes, maar het kan ook op een teleurstelling uitlopen. In dat geval is een tweede operatie nodig, waarbij de zaadstrengstomp met al het ontstoken weefsel verwijderd wordt. Een dergelijke operatie kan lang duren en technisch lastig zijn, en moet daarom in een kliniek gedaan worden.

Nabloeding

Soms druppelt er nog een tijdje bloed uit de wond. Dit bloed komt dan uit de ingesneden huid of uit het onderhuidse bindweefsel. Dergelijke kleine bloedingen stoppen vanzelf. Wanneer het bloed echter in een straaltje uit de wond loopt, is er sprake van een ernstige bloeding, waarbij het bloed uit de zaadstreng komt. De kans op een zaadstrengbloeding is groter wanneer de zaadstreng alleen maar gekneusd en niet is afgebonden. Maar ook wanneer de zaadstreng is afgebonden kan daaruit toch een enkele keer een bloeding optreden, doordat de ligatuur niet strak genoeg zit of omdat er een knoop is losgegaan. Bij verdenking op een zaadstrengbloeding mag er niet langer worden afgewacht, maar moet het paard zo snel mogelijk naar een kliniek gestuurd worden.

Uittreden van darmen via de wond

Dit is de meest gevreesde complicatie. Gelukkig komt het niet vaak voor. De kans erop is het grootst na een onbedekte castratie of na een half-bedekte castratie waarbij de zaadstreng en tunica vaginalis niet zijn afgebonden. Na een half-bedekte castratie waarbij de zaadstreng en tunica vaginalis wel zijn afgebonden, is de kans op het uittreden van darmen vrijwel nihil.
Wanneer het optreedt, moet er met de grootste spoed deskundig gehandeld worden, anders is de afloop fataal. Het dier moet zo snel mogelijk naar een kliniek gebracht worden, maar voor het transport moeten thuis eerst nog een paar noodzakelijke maatregelen getroffen worden. De dierenarts moet dus echt heel snel komen.
Soms komt er geen darm maar een soort vlies (omentum) uit de wond. Dit is gelukkig minder ernstig, maar de dierenarts moet toch wel direct gewaarschuwd worden.

Mannelijk gedrag na castratie

Dit kan veroorzaakt worden door het niet of onvolledig wegnemen van één of beide testikels. Als er testikelweefsel is achtergebleven, blijft dat mannelijk geslachtshormoon produceren. Dit hormoon is dan gemakkelijk in het bloed aan te tonen.
Maar let wel op: sommige, en dan met name oudere hengsten, kunnen ook als ze geen geslachtshormoon meer produceren toch nog hengstengedrag blijven vertonen.

Voortplanting

De merrie is een dier waarvan de vruchtbaarheid sterk afhankelijk is van het seizoen. Evenals het schaap (vruchtbaar bij het korten van de dagen) is een paard een 'season breeder'. De beste tijd om een merrie te dekken of insemineren is vanaf eind maart tot en met juli; men zegt wel eens: "zodra het gras gaat groeien en de zon schijnt". In deze periode is de vruchtbaarheid het grootst. De cyclus bij het paard is ongeveer 21 dagen. Zodra de cyclus bij de merrie regelmatig is kan met dekken of insemineren worden begonnen. Het beste tijdstip daarvoor is zo'n een tot twee dagen vóór het eind van de hengstigheid, omdat de eisprong rond die tijd plaatsvindt. De hengstigheid duurt ongeveer zo'n vijf tot zeven dagen. Bij oudere merries of merries waarbij het geboorteproces abnormaal is verlopen, kan men het beste de veulenhengstigheid (= eerste hengstigheid op ongeveer zevent tot twaalf dagen na het veulenen) overslaan. De dracht duurt 11 maanden bij een merrie. 

Is de merrie hengstig?

Dit kan gecontroleerd worden door de merrie te 'schouwen'. De merrie wordt hierbij in de buurt van de hengst gebracht, waarbij ze gescheiden zijn door bijvoorbeeld de boxdeur. Laat beiden aan elkaar snuffelen en neem er vooral voldoende tijd voor. Als de merrie niet hengstig is zal ze 'afslaan'; ze tolereert de hengst niet in haar buurt en slaat soms zelfs met de achterbenen. Denk daarbij aan je eigen veiligheid! Is de merrie wel hengstig, dan zal ze een aantal hengstigheidsverschijnselen vertonen: ze heeft interesse voor de hengst, ze 'blitst' (= knipperen met de vulvalippen), ze houdt de staart opzij, zakt wat door de achterbenen en laat troebele urine lopen. De ene merrie zal dit gedrag beter laten zien dan een andere. Aanvullend gynaecologisch onderzoek door de dierenarts is dus vaak noodzakelijk om het exacte tijdstip van dekken of insemineren te bepalen. Dat gebeurt m.b.v. echografie. Merries met een veulen laten nog wel eens moeilijk hengstigheid zien.

Dekken of insemineren

In de natuur wordt de merrie gedurende een periode van hengstigheid meerdere malen door de hengst gedekt. De kans dat zo op het goede moment wordt gedekt is groot. Tegenwoordig wordt een merrie echter meestal drachtig dankzij kunstmatige inseminatie. Dat heeft niet alleen hygiënische voordelen, maar ook kunnen op deze manier van één sprong van de hengst meerdere merries worden 'gedekt'. Een nadeel van KI is dat het sperma ondanks alle behandelingen die het ondergaat, minder lang leeft dan bij natuurlijke dekking en dat een zeer nauwkeurige eisprongcontrole daarom bij deze manier van bevruchten noodzaak is. Met een echo kan de dierenarts de baarmoeder en eierstokken van de merrie bekijken en zo nog beter het juiste moment van insemineren bepalen. De transducer van de scanner wordt bij een merrie via de endeldarm met de hand naar binnen gebracht (zie foto boven). Daarbij kan de dierenarts vaststellen of er afwijkingen zijn aan deze organen welke eventueel met medicijnen, hormonen of operatief behandeld kunnen worden. Sperma behoudt zijn bevruchtend vermogen gemiddeld 48 uur nadat het in de merrie is ingebracht. Het is daarom van belang het moment van de eisprong zo nauwkeurig mogelijk in te schatten. De kans dat eicel en sperma elkaar dan op het goede moment ontmoeten is daarmee zo groot mogelijk. 

Is de merrie drachtig?

Begin in ieder geval al op 15 dagen na het insemineren met schouwen. Het uitblijven van een hengstigheid kan dracht doen vermoeden, maar geeft niet volledig zekerheid. De meeste zekerheid op drachtigheid verschaft een echo op ongeveer 17 dagen na inseminatie. Is de merrie onverhoopt niet drachtig geworden, kan ze opnieuw worden geïnsemineerd of gedekt. Het maken van een echo heeft als bijkomend voordeel dat tweelingdracht tijdig gesignaleerd wordt. Tweelingdracht eindigt bij een paard vrijwel altijd in een abortus. Daarom is vroeg ingrijpen door de dierenarts nodig; één van de twee vruchtjes kan dan worden verwijderd. Wanneer de merrie drachtig is bevonden is het raadzaam dit onderzoek te herhalen: zo'n 15% van de drachtigheden wordt op 40 dagen afgebroken. Dat is heel vervelend maar puur natuur. We zien nogal eens dat merries op 17 dagen drachtig zijn bevonden en dat de eigenaar een jaar later vergeefs op het veulen wacht. Zoals genoemd kunnen bij het gynaecologisch onderzoek van de merrie ook afwijkingen worden aangetroffen aan de eierstokken, de baarmoeder, de schede en de vulva. Deze kunnen worden behandeld.

Probleemmerries

Niet alle merries worden onmiddellijk en even makkelijk drachtig. Daar kunnen verschillende oorzaken voor zijn, zoals een onregelmatige cyclus, een baarmoederontsteking en een slecht sluitende schede. Soms is het erg moeilijk om een oorzaak aan te wijzen en wordt de merrie het jaar daarop heel vlot drachtig.

Aanvullend progesteron hormoon

Tijdens de eerste 120 dagen van de dracht wordt progesteron geproduceerd door het gele lichaam op de eierstok. Dit hormoon is nodig om de dracht in stand te houden. Vanaf dag 50 - 70 van de dracht vindt er al een meetbare progesteronproductie plaats door de moederkoek (placenta). In de tweede helft van de dracht is de placenta de enige bron van progesteron. Indien u aanvullende progesteron-toediening overweegt tijdens de dracht, kan dit het beste vanaf dag drie tot vier na de eisprong (ovulatie) worden gegeven. Na dag 100 kan het door de placenta geproduceerde progesteron de dracht prima in stand houden. Dus vanaf dat moment is extra toediening van progesteron zinloos. Vanaf dag 80 kan de toediening van progesteron per dag gehalveerd worden en twee weken later kunt u er helemaal mee stoppen. Het is belangrijk te beseffen dat bij tien procent van de paarden die progesteron krijgen bijgevoerd, het gele lichaam stopt met het vormen van progesteron. Deze paarden zijn dus voor de instandhouding van de dracht helemaal afhankelijk van het progesteron dat ze toegediend krijgen. Dat betekent dat tot dag 80 van de dracht geen dag mag worden overgeslagen met het verstrekken van progesteron. Voor paarden is alternogest (Regumate) het enige progestativum waarvan bewezen is dat het biologisch actief is. Dit product is officieel geregistreerd voor paarden.

Wintercontrole van de merrie

Het is belangrijk om ook in de winter te weten of de merrie drachtig is. Is ze drachtig, let dan op:

  • Het verschil in voeding tussen drachtige en guste (niet-drachtige) merries. Vermijd een te royale conditie van guste merries.
  • Dat contacten van drachtige dieren met andere paarden zoveel mogelijk worden vermeden in verband met kans op besmettelijk verwerpen door rhinopneumonie. 
  • Dat de merrie goed gevaccineerd is tegen influenza en tetanus, bij voorkeur in het laatste deel van de dracht. Is de merrie niet drachtig, dan is dit een goed moment om eventuele afwijkingen te behandelen.

De geboorte

Zorg vóór het veulenen voor een ruime box die goed ontsmet is en goed is verlicht. Neem ruim voor die tijd de ijzers af bij de merrie. Reinig de achterhand van de merrie en bandageer de staart bij voorkeur. Vanaf twee tot drie weken vóór het veulenen kun je de volgende voortekenen zien:

  • Uierzwelling.
  • Oedeem(zucht) onder de buik.
  • Zakken van de 'platen' (= zijvlakken van het kruis), waardoor de staart wat hoger lijkt te gaan liggen.
  • Tepelzwelling met daarop een ingedroogd druppeltje voormelk ('kegelen').
  • Vlak voor het veulenen laat de merrie de biest lopen.

Medisch

Bloedonderzoek

Met bloedonderzoek kunnen we een globale indruk krijgen over de conditie van een paard. Het kan zijn dat een eigenaar vraagt een algemeen bloedonderzoek uit te voeren omdat het paard niet fit is, ook kan het zijn dat de behandelend dierenarts bij een ziek paard meer informatie nodig heeft en een (deel) bloedonderzoek aanvraagt. Een ‘screenings’ bloedonderzoek omvat over het algemeen een aantal standaardbepalingen. Je kunt hierbij denken aan:

  • Rode bloedbeeld (zegt wat over evt. bloedarmoede)
  • Witte bloedbeeld (zegt wat over evt. infecties/ontstekingen)
  • Nierwaardes
  • Lever- en spierwaardes
  • Elektrolyten (denk hierbij aan calcium, magnesium etc.)
  • Eiwitgehalte en de onderverdeling daarvan in verschillende soorten (zegt wat over bijvoorbeeld een mogelijke worminfectie, abces etc.)

We hebben op de praktijk apparatuur voor de bepaling van de meest voorkomende bloedwaardes. De uitslag hiervan is na maximaal een half uur al bekend. Deze apparatuur is van hoge kwaliteit en staat onder controle van een externe instantie. Voor overige bepalingen wordt er gebruik gemaakt van verschillende laboratoria. Veel uitslagen zijn na enkele dagen bekend, andere uitslagen volgen na ongeveer een week.

Koliek

Koliek is eigenlijk een symptomencomplex en geen op zichzelf staande ziekte. De symptomen horen bij pijn in de buik. De dingen die waar te nemen zijn bij koliek variëren nogal in ernst. Bij weinig opvallende symptomen is meestal de oorzaak minder ernstig, terwijl er bij hele heftige aanvallen vaak een serieus probleem in de buik bestaat. Bedenk altijd dat leeftijd en ras invloed hebben op de uiterlijke verschijnselen. Bij een Arabisch volbloedveulentje lijkt het soms of er geen redden meer aan is, terwijl een eenvoudig spuitje tegen buikkramp alle problemen oplost! Een volwassen trekpaard of een Fries die wat staan te krabben moeten als serieuze koliekpatiënten onderzocht worden.

Als laatste een zeldzaam symptoom, maar wel erg belangrijk om nog te noemen: paarden die gas of soms zelfs groenige maaginhoud (zichtbaar in de neusgaten) opboeren! Een zeer ernstig beeld, aangezien een paard normaal gesproken niet kan boeren of braken. Dit heeft te maken met de krachtige spierovergang tussen slokdarm en maag. Ook de scherpe hoek tussen slokdarm en maag maakt braken bijna onmogelijk. Als dit toch optreedt, betekent dit een overvolle maag, die praktisch op scheuren staat met onherroepelijk de dood tot gevolg! Hierbij is dus directe hulp van een dierenarts nodig. Die zal met behulp van een maagsonde de gespannen maag ontlasten. Koliek blijft toch een ‘spannend’ ziektebeeld. Eigenlijk kan men op de (aard van de) symptomen nooit een zekere diagnose stellen. Zeker indien er heftige verschijnselen bestaan, moet uiteraard direct een dierenarts ingeschakeld worden. Tijdens het wachten op de dierenarts is het verstandig om wat aan de hand te stappen met de patiënt. Bij heftige koliekaanvallen is dit niet mogelijk. In zo’n geval laat u het paard gewoon liggen of rollen, liefst in een grote box of in de paddock. Heel veel misverstanden bestaan nog steeds over koliekpaarden die liggen te rollen. In tegenstelling tot wat nog veel gedacht wordt, kan dit de zaak niet verergeren. Een paard krijgt geen slag in de darm door te rollen, maar kan natuurlijk al wel een darmverdraaiing hebben, die ervoor zorgt dat het dier (ernstige) koliek heeft met als symptoom zich plotseling laten vallen en rollen. De eigenaar mag het paard best in de benen jagen en wat rondstappen, maar indien dit met zachte dwang niet lukt, hoeft het dier niet overeind geslagen te worden.

Bijna altijd is de eetlust bij koliek verdwenen, maar bij slepende verstoppingskolieken zullen paarden soms toch nog voer willen opnemen. Bij (meestal) minder ernstige vormen van koliek ziet men het typische flemen (bovenlip optrekken), ook kijkt een koliekpaard vaak om naar zijn buik. Het kan ook een beginstadium zijn van meer serieuze koliekuitingen zoals rollen. Een misleidend symptoom is de gestrekte stand waarin paarden soms gaan staan. Zeker bij ruinen of hengsten lijkt het net of zo’n dier niet kan plassen. Blaaskoliek komt echter zeer zelden voor, bijna altijd betreft het hier een darmverstopping. Doordat een verstopte lus in de dikke darm in het bekken komt te liggen gaat het paard hierop staan persen, wat kan lijken op een poging tot urineren. Zweten ziet men soms wel, soms niet. Bij ernstige gevallen treedt zweten altijd op, maar soms is zweten afhankelijk van de omgevingstemperatuur, de vacht en het temperament. Vaak is de ademhaling versneld, maar je kunt hieruit slecht afleiden of de koliekoorzaak meer of minder ernstig is. Darmgeluiden zijn soms duidelijk hoorbaar, ook zonder stethoscoop. Als er nog geborrel te horen is, is de darmperistaltiek (darmbewegingen) per definitie nog aanwezig, wat normaal als een gunstig teken kan worden beschouwd. Bij gaskoliek kan de buikomvang toenemen door opgehoopt gas in de darmen. Over het algemeen is een verhoogde gas- en mestproductie gunstig, met de achtergrondgedachte dat de darmen (nog) niet stil liggen. Ook de aard van de mest geeft informatie: diarree duidt bijvoorbeeld op zandkoliek. Erg droge mestballen bij stroverstoppingen geven vaak een probleem in de dikke darm aan. Vaak is er sprake van bewegingsdrang. Dit varieert van een beetje schrapen met een voorvoet tot slaan met de benen of zelfs zich plotseling laten vallen, rollen en weer in de benen springen. Ook zijn er paarden die in een bepaalde houding (op de rug) blijven liggen om de pijnlijke plek in de buik te ontlasten. Soms, als een koliekpatiënt er heel ernstig aan toe is en het einde niet lang meer op zich laat wachten (zoals bijvoorbeeld bij een gescheurde maag), kan de bewegingsdrang helemaal verdwenen zijn. Het paard is dan volledig apathisch en de pijnprikkels worden niet meer waargenomen.

Paarden met koliek kunnen we dus na een klinisch onderzoek in de meeste gevallen zelf behandelen, maar als er sprake is van b.v. een liggingsverandering van de darmen, zullen we uw paard doorsturen naar een kliniek voor uitgebreider onderzoek of een eventuele chirurgische oplossing.

Luchtwegproblemen

Ieder paard hoest wel eens. Voor de eigenaar is het vaak moeilijk te bepalen wanneer het om een onschuldige hoest gaat en wanneer de dierenarts gebeld moet worden. De luchtwegen van het paard worden onderverdeeld in de voorste luchtwegen (neusgangen en luchtpijp) en de achterste luchtwegen (bronchiën en longblaasjes in de longen). Als een paard hoest, komt dat door irritatie van de luchtwegen. De meeste oorzaken van het hoesten zijn van allergische aard of chemisch van oorsprong, en ontstaat meestal door inademen van (stof)deeltjes die de luchtwegen direct irriteren, of door beschadiging van het luchtwegslijmvlies door infecties met bacteriën of virussen. Een gezond paard hoest niet en heeft in rust een ademhalingsfrequentie van acht tot veertien keer per minuut en geen neusuitvloeiing, behalve misschien wat waterig vocht. De lichaamstemperatuur mag niet hoger dan 38 graden Celcius zijn. Een paard met luchtwegproblemen kan gaan hoesten, sneller dan normaal gaan ademen, pompende bewegingen met borst en buik maken en/of een witte tot groene uitvloeiing uit de neus hebben. Daarbij kan ook het uithoudingsvermogen verminderd zijn. De lichaamstemperatuur kan verhoogd zijn. Vermoedt u dat uw paard luchtwegproblemen heeft? Neem dan contact op met uw dierenarts.

Veruit de belangrijkste klacht met betrekking tot de luchtwegen bij paarden in Nederland is chronisch hoesten ten gevolge van chronische bronchitis of astma. Deze aandoeningen worden gekenmerkt door een ontstekingsreactie in de luchtwegen waardoor zich slijm vormt in de luchtpijp en de bronchiën. Hierdoor kan het paard gaan hoesten en door het slijm in de longen wordt het uithoudingsvermogen verminderd.

Bij astma is er een ontsteking van de luchtwegen door overgevoeligheid voor stof uit hooi of stro. Hierin komen nogal eens schimmels en bacteriën voor, die allergieën kunnen veroorzaken. Veel paarden blijken zo’n allergie te hebben. Naast de luchtwegontsteking ontstaat er ook een vernauwing van de kleinere luchtwegen. Chronische bronchitis kan het gevolg zijn van een ‘normale’ luchtweginfectie, veroorzaakt door een virus (bijvoorbeeld influenza) of een bacterie. Doordat er bij bronchitis, net als bij astma veel slijm wordt gevormd en dit slijm de luchtwegen irriteert, houdt de ontstekingsreactie zichzelf in stand. Een ontsteking die langer dan enkele weken duurt, wordt chronisch genoemd.

Als een paard koorts heeft, neusuitvloeiing vertoont en ‘nergens meer zin in heeft’, is het belangrijk de dierenarts te laten beoordelen wat de ernst van de ziekte is en welke therapie ingesteld moet worden. Als uw paard ‘slechts’ enkele malen hoest, maar verder geen ernstige ziekteverschijnselen vertoont, is het ook verstandig uw dierenarts te raadplegen. Dit hoesten kan namelijk al een teken zijn van een chronische luchtwegaandoening. Hoesten is immers altijd een reactie op irritatie van de luchtwegen. In alle gevallen is het belangrijk om een paard dat benauwd is, de nodige rust te geven, om het gevaar van longemfyseem te voorkomen. Niet altijd wordt hiermee alleen boxrust bedoeld.

In sommige gevallen is een kuur met bepaalde medicijnen voldoende om het probleem op te lossen. In andere gevallen kan uitgebreider onderzoek nodig zijn om de oorzaak van de luchtwegaandoening vast te stellen en om na te gaan in hoeverre de longen eventueel al zijn aangetast. 

Naast het geven van medicijnen kunt u zelf ook vaak veel verbeteren aan de omstandigheden waaronder het paard gehouden wordt. Stof is een algemene oorzaak van luchtwegproblemen.

Er zijn verschillende maatregelen die u kunt treffen om de hoeveelheid stof in de omgeving van uw paard te verminderen: 

  • Hooi goed nat maken of liever voordroogkuil voeren.
  • Opstallen in een buitenbox (bovendeur open) en zoveel mogelijk weidegang met frisse lucht geven.
  • Geen stro gebruiken als bodembedekker, maar overgaan op houtkrullen, vlasvezels of papiersnippers.
  • Zorgen voor een zeer goede ventilatie in de stal en de stal vaak uitmesten om ammoniakdampen te voorkomen.

Andere maatregelen om luchtwegaandoeningen te voorkomen:

  • Tocht dient te allen tijde vermeden te worden. Dit geldt in nog belangrijkere mate voor natte, bezwete paarden die in een tochtstroom vatbaarder zijn voor infecties.
  • Regelmatig (eventueel twee keer per jaar) inenten tegen influenza. Ook andere paarden op stal dienen te worden gevaccineerd. Hierdoor wordt de infectiedruk verlaagd.

Een paard dat geen koorts heeft, maar behandeld wordt voor een chronisch luchtwegprobleem, mag lichte arbeid verrichten om het slijm in de longen los te maken.

Genezen 

De behandeling van een paard met een luchtwegaandoening, is sterk afhankelijk van de oorzaak van de aandoening. Als eenmaal deoorzaak voldoende is vastgesteld, zal uw dierenarts een therapie voorschrijven met passende medicijnen. Als er een kuur gedurende meerdere dagen of weken wordt voorgeschreven, is het belangrijk dat er geen dag wordt overgeslagen. Dit zou de werking van de medicijnen verminderen of zelfs teniet doen.
Er zijn verschillende medicijnen die gebruikt kunnen worden om uw paard met luchtwegproblemen te behandelen.

Antibiotica 

Welk antibioticum voorgeschreven wordt, hangt onder andere af van de gevoeligheid van de bacterie die meespeelt.

Slijmoplossendemiddelen

Clenbuterol (Ventipulmin®)

Dit middel zorgt ervoor dat de luchtwegen zich verwijden en het slijm in de luchtwegen verdund wordt en gemakkelijker wordt afgevoerd. Het paard zal hierdoor beter kunnen ademen; de neusuitvloeiing en het hoesten verminderen. Ook heeft Clenbuterol een anti-allergische en ontstekingsremmende werking, die gunstig is bij paarden met overgevoeligheid voor stof en schimmelsporen. Clenbuterol wordt meestal gedurende vier tot zes weken voorgeschreven.

Dembrexine (Sputolysin®)

Dit product verdunt het slijm in de longen, waardoor het beter kan worden opgehoest. Het paard zal dus niet meteen stoppen met hoesten, omdat dit middel de hoest niet onderdrukt. Sputolysin® zorgt er tevens voor dat de kleinste longblaasjes niet dichtklappen, zodat de elasticiteit van de longen niet achteruitgaat en het effect van antibiotica in de longen toeneemt. Slijmoplossers worden meestal voorgeschreven bij acute aandoeningen van de luchtwegen.

Acetylcysteïne (Equimucin®)

Dit poeder vermindert de viscositeit van het slijm in de luchtpijp en in de bronchiën en helpt tevens het slijm op te lossen dat vooral aanwezig is in de chronische gevallen van luchtwegproblemen.

Ontstekingsremmers

Deze verminderen in het algemeen ontstekingsreacties, dus ook die in de longen. Deze middelen worden voornamelijk ingezet als een allergie de oorzaak is van de luchtwegproblemen. Tevens versterken corticosteroïden de werking van clenbuterol en gaat het gewenning tegen. Corticosteroïden kunnen wel bijwerkingen veroorzaken, dus gereserveerd gebruik is raadzaam.

Hoestpoeders 

Kruidenmixen en hoestpoeders kunnen ondersteunend ingezet worden. Maar let op, want veel van deze middelen onderdrukken de hoest. Dat is niet goed. Hoesten is namelijk gunstig, want het zorgt voor het verwijderen van slijm. Een slijmoplosser is dus vaak een betere therapie. Roep bij twijfel altijd de hulp van uw dierenarts in, zodat u direct de juiste aanpak kiest. Alleen dan kunt u blijvende schade voorkomen.

Uit voorgaande blijkt wel dat de behandeling van paarden die hoesten, zeer verschillend kan zijn. De belangrijkste verschillen in de behandeling liggen in de oorzaak en de mate waarin de ziekte chronisch is geworden. Besteed daarom altijd veel aandacht aan de omstandigheden waaronder het paard gehouden wordt.

Oogproblemen

Het hoornvlies, ook cornea genoemd, is de doorzichtige buitenlaag van het oog. Het bestaat uit meerdere cellagen en heeft een gemiddelde dikte van 1 mm. Beschadiging van de cornea komt regelmatig voor. Het paard beweegt zijn hoofd krachtig en snel, waardoor het oog vaak het eerste is dat ergens tegen botst. Een ander probleem is stof of vuil dat in het oog komt. Een mens kan een haartje uit zijn oog gemakkelijk uitvissen, maar dit is voor onze viervoeters wat moeilijker.

Een klein letsel aan de cornea is vaak onzichtbaar. Als het niet snel en op een gepaste manier behandeld wordt, kan zo'n letsel snel tot een niet-helende, geïnfecteerde ulcer ontwikkelen die zelfs tot het verlies van het oog kan leiden.

Verschillende types bacteriën en schimmels zijn normale bewoners op de cornea. Een infectie gebeurt meestal door invasie van deze micro-organismen in de diepere lagen via een defect aan de oppervlakte.

Wat kan u dan wel aan het paard merken? Meestal houdt het paard zijn oog dicht, zal hij ongemakkelijk zijn in fel licht en zal het aangetaste oog tranen.

Hoe zal uw dierenarts de diagnose stellen van een hoornvliesbeschadiging?

Met het oog op het kiezen van de juiste behandeling zal uw dierenarts eventueel een staal nemen ter hoogte van het letsel. Deze swab of afkrabsel zal helpen bepalen of er bacteriën of schimmels aanwezig zijn en er zal in het labo worden bepaald welke antibiotica best gebruikt kunnen worden.

De heling van de beschadigde cornea gebeurt op twee manieren. De eerste is een migratie van omgevende epitheelcellen, gevolgd door mitose (deling) van deze cellen. De tweede manier is de fibrovasculaire helingrespons. In de normale cornea lopen er geen bloedvaten. Later in het genezingsproces van een ulcer, zullen er kleine bloedvaatjes vanuit de omgevende weefsels (conjunctiva) tot aan het defect groeien. Via het bloed komen er ontstekingscellen en fibroblasten ter plaatse. Die zorgen voor de productie van granulatieweefsel dat het defect zal opvullen. De gemiddelde helingsnelheid van het hoornvlies is 0.6mm/dag. De heling is sneller in de eerste vijf tot zeven dagen, maar vertraagt daarna. Een ulcer met een diameter van 7 mm en een diepte van 0.5 mm zal na ongeveer twaalf dagen geheeld zijn indien infectie vroegtijdig gecontroleerd werd.

De behandeling van een corneaulcer hangt sterk af van de ernst van de beschadiging. Een klein oppervlakkig letsel geneest gemakkelijk indien correct behandeld. Omdat het oog heel gevoelig is, zijn pijnstillers in de eerste instantie altijd aangewezen. Daarnaast zal de dierenarts een antibioticazalf of oogdruppels voorschrijven die meerdere malen per dag in het oog moeten worden gebracht. Algemeen toegediende antibiotica zullen geen effect hebben op een oppervlakkige cornea infectie aangezien er geen bloedvaten ter plaatse aanwezig zijn.

Omdat een ulcus altijd gepaard gaat met een min of meer uitgesproken vorm van uveïtis (ontsteking van meer inwendige delen van het oog) zal het paard waarschijnlijk ook atropinedruppels krijgen. Dit product zal door het openen van de pupil latere vergroeiingen tussen die inwendige structuren voorkomen. Let wel op dat atropine een effect heeft op de motiliteit van het maagdarmstelsel. U moet uw paard dus regelmatig observeren voor koliek.

Uw dierenarts zal een paar dagen na het begin van de therapie het paard controleren. Indien er onvoldoende verbetering geboekt is, zal er dan een agressievere therapie gestart worden.

Orthopedie

Het vakgebied orthopedie behandelt alle aandoeningen die uitgaan van het steun- en bewegingsapparaat, met andere woorden alle aandoeningen van de botten, gewrichten, spieren, pezen en banden. Orthopedische problemen gaan vaak gepaard met een vorm van kreupelheid, daarom dat het kreupelheidsonderzoek een belangrijk onderdeel uitmaakt van de discipline. Ook problemen van het zenuwstelsel kunnen bewegingsproblemen geven.

Een kreupelheidsonderzoek is vaak niet zo simpel als het soms lijkt. Een nauwkeurig onderzoek kost dan ook vaak veel tijd. Een kreupelheid kan verschillende oorzaken hebben zoals trauma, overbelasting, spierpijn, peesbeschadigingen, slijtage in gewrichten, band en bandaanhechtingsproblemen, enz. Tijdens het kreupelheidsonderzoek tracht de dierenarts een idee te krijgen om welk been (of welke benen) het gaat en van de mate van kreupelheid. Hierbij wordt vervolgens geprobeerd om de specifieke lokalisatie van het probleem nauwkeuriger te bepalen.

Om de gangen van het paard goed te kunnen beoordelen is een zogenaamde monsterbaan noodzakelijk. Op deze rechte baan, op een harde, gelijke bodem, wordt het paard in stap en in draf bekeken ('monsteren'). Er wordt dan gelet op de regelmaat en symmetrie van de bewegingen die het paard maakt.

Na de beoordeling op de rechte lijn, worden de bewegingen van het paard ook bekeken op de volte in stap en in draf, zowel linksom als rechtsom en zowel op een harde als zachte ondergrond. Een aantal kreupelheden zijn immers beter zichtbaar op de harde bodem, terwijl anderen beter tot uiting komen op de zachte bodem.

De volgende stap in het kreupelheidsonderzoek is het uitvoeren van de verschillende buigproeven om aan de hand hiervan een eerste indruk te krijgen over de mogelijke lokalisatie van het probleem. Hierbij wordt door middel van het buigen van een of meerdere gewrichten een mate van druk en spanning op verschillende structuren in het been gezet. Zowel het buigen zelf als het wegdraven na het buigen wordt vervolgens beoordeeld. Als duidelijk is geworden aan welk been (of aan welke benen) het probleem zich bevindt, wordt het onderzoek vervolgd met een uitwendige beoordeling (inspectie) van het been, gecombineerd met het aftasten (palpatie) van het been om eventuele zwelling of andere afwijkingen op te sporen.

Om nog nauwkeuriger de lokalisatie van de kreupelheid te bepalen, kunnen bepaalde delen van het been tijdelijk plaatselijk verdoofd worden door middel van een gewrichts- of geleidingsanesthesie. De pijn (en het gevoel) wordt dan in een bepaalde regio van het been uitgeschakeld. Na een korte inwerkingsperiode van het verdovingsmiddel, worden de bewegingen van het paard opnieuw bekeken op de rechte lijn en eventueel ook op de volte. Er wordt hierbij specifiek gecontroleerd of de kreupelheid al dan niet verminderd of verdwenen is. Dit type onderzoek laat ons toe om een zeer specifiek deel van het been verder te onderzoeken met behulp van de verschillende beeldvormingstechnieken zoals röntgen of echo.

Röntgenfoto's kunnen gemaakt worden om botletsels en botveranderingen op te sporen. Om letsels aan de weke delen (spieren, pezen, banden en gewrichtsstructuren) in beeld te brengen is echografie een ideaal hulpmiddel.
Eens het probleem in kaart is gebracht en een diagnose is gesteld, volgt er een passend behandelplan. Veel voorkomende onderdelen hiervan zijn een aangepast beslag, lokale behandelingen van pezen en gewrichten en aangepaste beweging. Vaak bestaat het plan uit een combinatie van verschillende behandelingen.

Contactinformatie praktijk

Gezelschapsdieren

Terug
  • Ma
    8.00 - 20.00 uur
  • Di
    8.00 - 20.00 uur
  • Wo
    8.00 - 20.00 uur
  • Do
    8.00 - 20.00 uur
  • Vrij
    8.00 - 20.00 uur
  • Za
    9.00 - 12.00 uur
  • Zo
    Gesloten

Contactinformatie bij spoedgevallen

Bel a.u.b.:

020 - 308 07 50
Terug

Vind ons hier:

Dorpsstraat 64 1121 BZ Landsmeer 8.00 - 9.00 u telefonisch spreekuur 13.30 - 17.00 u spreekuur 18.30 - 19.00 u avondspreekuur (uitsluitend spoedgevallen)
ontvang een routebeschrijving via Google Maps
Terug

Bel a.u.b. dit nummer bij spoedgevallen:

020 - 308 07 50

Landbouwhuisdieren

Terug
  • Ma
    8.00 - 20.00 uur
  • Di
    8.00 - 20.00 uur
  • Wo
    8.00 - 20.00 uur
  • Do
    8.00 - 20.00 uur
  • Vrij
    8.00 - 20.00 uur
  • Za
    9.00 - 12.00 uur
  • Zo
    Gesloten

Contactinformatie bij spoedgevallen

Bel a.u.b.:

+31 6 10 97 02 63
Terug

Vind ons hier:

Dorpsstraat 64 1121 BZ Landsmeer
ontvang een routebeschrijving via Google Maps
Terug

Bel a.u.b. dit nummer bij spoedgevallen:

+31 6 10 97 02 63